News

Practice Areas


Expertise

Tijdelijke opschorting voor ondernemingen getroffen door COVID-19 crisis


  • 27 April 2020
  • Janson News
Dominique Blommaert & Jonas De Smet
Tijdelijke opschorting voor ondernemingen getroffen door COVID-19 crisis

In het kader van de crisismaatregelen tegen de verspreiding van het COVID-19 virus heeft de overheid reeds diverse maatregelen genomen om de economische impact voor getroffen ondernemingen te verzachten. Men denkt bijvoorbeeld aan uitstel van betaling voor de fiscale en sociale schulden of de standstil en kredietverlening (tot 50 miljard euro) door de banken. De federale regering verwacht echter dat voor sommige ondernemingen deze maatregelen niet voldoende bescherming zullen bieden, in het bijzonder voor hun cash-buffer.

Met het Koninklijk Besluit n°15 van 24 april 2020 betreffende de tijdelijke opschorting ten voordele van ondernemingen van uitvoeringsmaatregelen en andere maatregelen gedurende de COVID-19 crisis (B.S. 24 april 2020), wil de federale regering deze ondernemingen de nodige ademruimte verschaffen om de crisis door te komen. Daarnaast wil zij een “staakt het vuren” creëren in een situatie waar ongeveer elke onderneming zowel schuldenaar als schuldeiser is. Het domino-effect, waarbij een onderneming druk zal zetten op zijn schuldenaren nadat hij door zijn eigen schuldeisers onder druk is gezet, wordt een halt toegeroepen.

Het door de regering in het leven geroepen mechanisme is gebaseerd op de opschorting die de rechtbank aan een onderneming kan verlenen in het kader van een procedure van gerechtelijke reorganisatie. Concreet kent de wetgever een opschorting toe aan ondernemingen tegen de gedwongen invordering van schulden door hun schuldeisers doordat bewarende en uitvoerende beslagen gedurende de opschorting niet mogelijk zullen zijn. Schuldeisers zullen deze ondernemingen evenmin kunnen dagvaarden in gedwongen faillietverklaring gedurende de opschorting. Ten slotte zal ook de ontbinding van overeenkomsten wegens wanbetaling gedurende deze periode niet mogelijk zijn.

Dit KB doet evenwel geen afbreuk aan de verplichting opeisbare schulden te betalen. Het is in geen geval de bedoeling om schuldenaren zomaar een recht te geven om niet langer te betalen.

Wie kan beroep doen op de bescherming?

De bescherming is van toepassing op alle ondernemingen die vallen onder het toepassingsgebied van de insolventiewetgeving (boek XX WER). Wie failliet kan verklaard worden, kan zich dus beroepen op deze bescherming. Daarnaast dienen twee bijkomende voorwaarden voldaan te zijn:

  • De continuïteit van de onderneming is bedreigd door de verspreiding van de COVID-19 epidemie en haar gevolgen; en
  • De onderneming was niet in staking van betaling op 18 maart 2020.

Indien een belanghebbende (men denkt in de eerste plaats aan een schuldeiser) meent dat een onderneming niet onder het hierboven vermelde toepassingsgebied valt, kan hij de voorzitter van de ondernemingsrechtbank verzoeken de bescherming geheel of gedeeltelijk op te heffen. De vordering wordt behandeld in kort geding en de voorzitter zal onder meer rekening moeten houden met (i) de vraag of de omzet/activiteit van de onderneming sterk gedaald is door de COVID-19 epidemie, (ii) of er beroep is gedaan op economische werkloosheid en (iii) of de overheid bevel heeft gegeven tot de sluiting van de onderneming. De voorzitter kan ook fraude en rechtsmisbruik beteugelen, bijvoorbeeld wanneer de schuldenaar niet getroffen is door de pandemie of perfect in staat is zijn schulden te betalen.

Wat houdt de bescherming in?

Ondernemingen die vallen onder het toepassingsgebied hebben recht op een drietal beschermingsmaatregelen. Voor ondernemingen met een reorganisatieplan is er nog een bijkomende beschermingsmaatregel.

1. Tijdelijk verbod op het leggen van beslag

Gedurende de opschorting kan geen bewarend of uitvoerend beslag worden gelegd (en geen enkel ander middel van tenuitvoerlegging worden aangewend of voortgezet) op de goederen van de onderneming. Dit geldt voor alle schulden van de onderneming (inclusief schulden opgenomen in een reorganisatieplan). De datum van ontstaan of opeisbaarheid van de schuld speelt met andere woorden geen rol. Dit verbod is evenwel niet van toepassing op het bewarend beslag op zeeschepen en binnenschepen.

Beslag op onroerende goederen blijft mogelijk. De wetgever oordeelt namelijk dat bewarend beslag op onroerend goed geen impact heeft op de continuïteit van de onderneming. Het uitvoerend onroerend beslag wordt eveneens toegelaten omdat een dergelijke procedure maanden in beslag neemt.

2. Geen gedwongen faillietverklaring of gerechtelijk ontbinding

De onderneming kan gedurende de opschorting niet failliet verklaard worden of gerechtelijk ontbonden worden tenzij de onderneming hier zelf mee instemt. De faillietverklaring of gerechtelijke ontbinding blijft evenwel nog steeds mogelijk (zelfs zonder instemming van de onderneming) indien ze geïnitieerd is door het openbaar ministerie of door een voorlopig bewindvoerder (aangesteld door de ondernemingsrechtbank in toepassing van artikel XX.32 WER).

Ook de verplichting voor (het bestuur van) de onderneming om aangifte van faillissement te doen indien de voorwaarden daartoe vervuld zijn, is opgeschort indien de faillissementsvoorwaarden het gevolg zijn van de COVID-19 epidemie of haar gevolgen.

Wanneer de onderneming zelf meent dat de faillietverklaring de beste optie is, blijft de faillietverklaring uiteraard ook mogelijk.

Er wordt geen afbreuk gedaan aan de toepassing van de verdachte periode indien de voorwaarden vervuld zijn. Ook de faillissementspauliana en andere gemeenrechtelijke acties kunnen misbruik van de nieuwe regelgeving bestrijden.

3. Geen eenzijdige of gerechtelijke ontbinding overeenkomsten wegens wanbetaling

De overeenkomsten gesloten voor de inwerkingtreding van dit KB kunnen niet eenzijdig (buitengerechtelijk) of gerechtelijk ontbonden worden wegens een wanbetaling van een geldschuld tijdens de opschorting. Een zeer belangrijke uitzondering zijn evenwel de arbeidsovereenkomsten.

4. Verlenging betalingstermijnen opgenomen in reorganisatieplannen

De betalingstermijnen opgenomen in een reorganisatieplan (ongeacht of de homologatie van het reorganisatieplan voor of na de inwerkingtreding van dit KB is gebeurd), worden verlengd met een duur gelijk aan die van de opschorting.

Hoe lang duurt de opschorting?

De opschorting vindt minstens plaats vanaf de dag van de inwerkingtreding van het KB (24 april 2020) tot en met 17 mei 2020. De regering kan deze einddatum echter aanpassen.

Wat met de kredietverlening gedurende de opschorting?

Het KB heeft ook tot doel het krediet (inclusief krediet door leveranciers) aan ondernemingen te stimuleren door enerzijds nieuw krediet (en de zekerheden of betalingen eraan verbonden) te beschermen in geval van faillissement en anderzijds de mogelijke aansprakelijkheid van diegene die krediet verstrekken te verlichten. Dit geldt voor de nieuwe kredieten. Bestaande kredieten, die worden heronderhandeld, vallen daarbuiten.

Concreet zijn de artikelen 1328 BW en XX.112 WER niet van toepassing op nieuwe kredieten verleend tijdens de duur van de opschorting noch op de voor deze kredieten gestelde zekerheden. Op basis van artikel XX.112 WER kunnen handelingen die de gefailleerde onderneming gesteld heeft voor de faillietverklaring niet-tegenwerpbaar verklaard worden na het faillissement indien de tegenpartij van de onderneming kennis had dat de onderneming zich reeds in staking van betaling bevond op het moment van de handeling. Dit risico is dus alvast uitgesloten voor de kredietverstrekker gedurende de periode van de opschorting.

Daarnaast kunnen de verstrekkers van deze nieuwe kredieten niet aansprakelijk worden gesteld enkel en alleen omdat de nieuwe kredieten de continuïteit van het geheel of een gedeelte van de activa of van de activiteiten van de onderneming niet daadwerkelijk mogelijk hebben gemaakt.

Is er nog een verplichting om schulden te betalen?

Dit KB doet geen enkele afbreuk aan de plicht tot betaling van de schulden, in hoofdsom, interest en andere accessoria. Betalingen op vrijwillige basis zullen dus zoveel mogelijk moeten doorgaan. Van ondernemingen die kunnen betalen of die niet getroffen zijn door de economische gevolgen van de crisismaatregelen wordt verwacht dat zij hun verbintenissen nakomen. Dit KB heeft dus zeker niet de bedoeling om schuldenaren een recht te geven om niet te betalen. Met inachtneming van de toepasselijke voorwaarden blijven andere gemeenrechtelijke sancties die niet opgenomen zijn in dit KB (zoals de exceptie van niet-uitvoering, schuldvergelijking of retentierecht) van toepassing. Ook aan de bepalingen van de Wet Financiële zekerheden wordt niet geraakt.

Dominique Blommaert & Jonas De Smet

Contact

Brussels: + 32 2 675 30 30
Nivelles +32 67 21 79 95
Ghent: +32 9 240 77 20
Mons: +32 65 22 10 00
Janson Logo
    © Copyright Janson 2020